Joke & Nico in Australia 2004

woensdag, maart 01, 2006

De outback in

Vandaag trekken we verder. Het is de laatste dag aan de kust in Queensland. Morgen trekken we de outback in. Vandaag rijden we tot aan het Bowling Green Bay NP, een nationaal park net voor Townsville. Je kunt in het nationale park kamperen, maar je moet vooraf online boeken. Wij hebben dit gedaan en hebben dus onze campingpermit. Nog steeds hebben we enkel dode kangoeroes gezien. Volgens de beschrijving van dit nationale park zal daar vandaag verandering in komen, want de wallabies huppelen op de campground in grote getale rond. Eerlijk gezegd geloven we daar geen woord van. We hebben téveel dode kangoeroes gezien langs weg.
Plots gil ik: STOP want inderdaad links van mij zie ik een kangoeroe. De eerste levende kangoeroe in Australia. We toeren reeds 10 dagen en pas nu zien we een kangoeroe. Hij jumpt natuurlijk onmiddellijk het veilige struikgewas in. En toch zijn we vertederd en toch blijven we daar nog eventjes staan, kijkend naar het struikgewas, hopend dat we er nog meer gaan zien. Maar ondertussen is de hele goegemeente natuurlijk gewaarschuwd. Dus rijden we langzaam verder. Het Nationale Park wordt iedere avond met een grote poort afgesloten. Dus na 19u kun je het park niet meer in of uit. We komen toe aan Alligator Creek campground. Wij hebben plaatsje 1. Voor de rest is de campground redelijk leeg. De campground ligt terug midden in de natuur. We nemen onze campingstoeltjes, een frisse pint en genieten van de omgeving. Het wordt stil, we horen geritsel, achter ons lopen een 5-tal kalkoenen. We noemen ze de Duitse kalkoenen. Ze zijn zwart en hebben een rode kwab en felgele kraag. Ze zijn bijzonder aggressief als het op eten stelen aankomt. Vandaar onze ietwat rascistische benadering. Zo agressief dat kunnen toch geen Belgen zijn. We observeren ze aandachtig. Eén komt heel dicht en neemt een tomaat uit de plastiek zak en loopt er vlug mee weg. Nico roept nog: jij vuile mof. Maar het helpt niet. Weg is de tomaat. Eigenlijk schamen we ons wel een beetje over de negatieve uitlatingen over de Duitsers. Nog niet helemaal bekomen van de aanval van de Duitse kalkoenen of daar komen de wallabies met meer en meer uit de struiken. Je hoort ze constant knabbelen, maar echt dichtbij de mensen komen ze niet. Vandaar dat ze uitdrukkelijk vragen aan de kampeerders om de wildlife niet te voederen. Het pavlov-effect werkt ook bij kangoeroes. We besluiten om een wandeling te doen in het Nationale Park. Het is jammer genoeg reeds te laat om de volledige wandeling (Alligator Falls, 17 km, 5u) te doen, maar we doen er toch een groot stuk van.
Onderweg komen we een prachtige varaan en vele wallabies tegen. We klimmen omhoog en vandaar zien we hoe Alligator Creek zichzelf een weg banen tussen de rode rotsen. Je kunt nog steeds zien hoe deze creek zwelt naarmate het regenseizoen vordert en hoe de creek uiteindelijk een rustig kabbelend beekje is tijdens de winter. Het wilde katoen (kapok) staan in bloei met mooie gele bloemetjes.
Naarmate de avond vordert, komen steeds meer kampeerders toe. De meeste weten niet dat ze vooraf een permit moeten aanvragen. De ranger zit in zijn bureautje naast het kampeerterrein. Sommige gaan bij hem vragen of ze kunnen blijven, ze krijgen steeds een goedkeuring. Sommige rijden gewoon de campground op en parkeren er zich, zonder zich druk te maken over de permit. Uiteindelijk staat de campground tegen de avond bijna volledig vol. We maken terug een vuurtje, BBQ’en en genieten van de prachtige avond. Morgen staat ons de outback te wachten.
Ontwaken in een nationaal park blijft wonderbaarlijk. De deur van je camper opendoen: de vogels horen zingen, de zon zien opkomen, de stilte. Ik kan mij Australia moeilijk voorstellen zonder deze nationale parken. Vandaag is toch wel een speciale dag. We hebben vooraf reeds zoveel gehoord over de rit door de Outback. Men heeft ons gezegd dat we misschien maar 5 auto’s zullen tegenkomen in 1000 km. Men heeft ons wel 100 keer gezegd dat we aan elk tankstation moeten tanken, dat we bij de auto moeten blijven wanneer we panne hebben, dat we minstens 10 liter drinkwater mee moeten nemen. Juist door al die berichten is er toch wel wat spanning wanneer we de camper starten. We rijden Bowling Green Bay Park uit en rijden richting Townsville. De zon schijnt krachtig, in Townsville draaien we af richting Charters Towers. We zitten op Flinders Highway. Here we go!
We zijn nog maar amper 10 km onderweg of we passeren langs een parking die volgestouwd is met roadtrains. We zijn toch wel onder de indruk van deze mastodonten van ‘camions’. Ook hier hebben we de wildste verhalen over gehoord: ze rijden iedereen van de baan, zorg dat je onmiddellijk de berm induikt wanneer er één afkomt, steek ze niet voorbij want ze zijn minstens 50 meter lang”. Dit zijn ze dus. Maar voorlopig hoeven we ons niet druk te maken want ze staan stil, op een parking. Voorlopig valt alles alvast goed mee. De highway is naar Australische normen een echte autostrade, een ruime tweevaksbaan dus. We rijden over een vrij grote brug, 4 meter lager stroomt een rivier, die nu een rustig kabbelende beek is. Voorbij de brug staat waterpeilmeter. Over heel Australia vind je deze meters langs de weg. Zo kan je weten hoe diep het water is wanneer de weg overstroomt en weet je of je natte voeten zult krijgen wanneer je erdoor zal rijden of niet. Vol verstomming kijken we naar de meter. Wij staan op 0 cm. De hoogste stand geeft 7 meter weer. De jaartallen geven de hoogste waterstanden aan. De hoogste was een paar jaar terug en ging boven de 6 meter. Je kunt je moeilijk voorstellen dat dit kabbelend beekje die nu zo’n 4 meter beneden ons zich een weg baant, meer dan 10 meter kan stijgen.
Volgens de boeken begint de echte outback pas voorbij Charters Towers. Daar zullen we onze eerste halte houden. Omstreeks 10u komen we in Charters Towers aan. We hebben 200km achter de kiezen.
Het is best een charmant stadje. In 1872 werd voor de eerste keer goud gevonden. En de restanten hiervan zijn nog steeds te zien in enkele bijzonder fraaie gebouwen. Zo zijn er verscheidene banken, de stock-exchange, het stadshuis en het gerechtsgebouw. Het stadje voelt echt aan als een dorp. Het valt trouwens ook op dat we voor het eerst frequent aboriginals in het straatbeeld zien. Nog eventjes wat inkopen doen in Woolworths want dit is het laatste grootwarenhuis in 1000 km, tanken en weg zijn we.
De outback in. Ik wil toch wel weten hoeveel auto’s we nu effectief zullen tegenkomen, dus ik neem mij voor om ze te tellen. Na één uur zit ik boven de honderd. Ik geef het op. Het blijft steeds even druk, vooral veel terreinwagens met caravans passeren ons. Iedere keer zwaait men, soms bijzonder uitbundig, soms een vingertje die ze lichtjes opheffen, maar steeds weer opnieuw geven ze een teken dat ze je gezien hebben.
We stoppen in ieder stadje om te tanken. Alhoewel stadje is toch wel overdreven. Hoe meer we de outback inrijden, hoe meer de stadjes slechts bestaan uit een tankstation, die dienst doet als hotel, winkel, campground, enfin alles dus.
Het onthaal in ieder tankstation is steeds bijzonder hartelijk. De warme jovialiteit bij de ozzies blijft hartverwarmend. Ik had vooraf gedacht dat de eenzaamheid en de moeilijke levensomstandigheden van de Outback de bewoners nors en terughoudend zou hebben gemaakt. Maar niets is minder waar. Ze zijn hartelijk, warm en vragen steeds gemeend hoe het met je is en waar je naar toe gaat. Geen haar op je hoofd om niet te vertellen wie of wat je bent. Een gesprek loopt hier steeds op wieltjes.
Het is 15u30 en we zijn in Richmond, we hebben 560 km gereden. Alhoewel we in onze planning wilden verder rijden tot in Julia Creek, opteren we er voor om niet verder te rijden. De avond valt binnen 2 uur en rijden in het donker is absoluut verboden in de Outback. Deze regel geldt trouwens niet enkel voor touristen, ook de Ozzies begeven zich niet meer op de openbare weg wanneer de nacht valt. Er is een camping in Richmond. Het is prachtig weer, waarom niet genieten van deze dag? Nog eventjes wat kleren wassen want er is een strakke wind, het ideale weer om kledij te wassen maar vooral te drogen. Het is een heerlijke avond. We kaarten na over onze eerste outbackdag. We zijn het er beiden over eens: dit valt reuze mee. Waarom hebben ze ons zoveel schrik aangejaagd. De weg van mapleton Falls naar Kenilworth, dat was pas avontuurlijk. Maar Flinders Higway is een druk bereden weg. De overrompelde eenzaamheid hebben we nooit niet ervaren, want steeds moesten we onze hand opsteken om terug een tegenligger te groeten. De eentonigheid was er wel. Het lijkt alsof je door één grote Savanne rijdt. Ook de roadtrains vallen reuze mee. We hebben nog nooit de berm in moeten duiken en vrezen voor ons leven. De roadtrains blijven mooi op hun baanvak rijden en zonder problemen kunnen we elkaar kruisen. In Richmond kun je een museum bezoeken over een dinosaurus die men daar in de beurt gevonden heeft. Toen wij echter aan het museum aankwamen, was het reeds gesloten.
’s Morgens om 5u30 worden we per toeval wakker. Vanuit onze camper zien we een rode gloed voor ons. De zon komt op. Het is prachtig. We proberen er een foto van te maken, maar half slapend, half wakker krijg ik geen scherp beeld. Maar we hoeven er geen foto van, deze zonsopgang is op ons netvlies gebrand. Het lijkt alsof de aarde vuur gevat heeft. Net omdat de camping op een berg ligt en wij op de top staan, hebben we een adembenemend zicht. Het gaat snel, na een 15 minuten heeft de zon zich helemaal uitgestrekt en is de rode gloed verdwenen. Gordijntje terug dicht en verder slapen. Het is weer een koude nacht geweest. Dus kruipen we dicht bij elkaar.
Om 7u staan we op. Twee Japanners zijn bezig hun fietsen in orde aan het maken. In deze temperaturen, over zo’n afstanden, met roadtrains die voorbij vlammen aan 100km/uur. Ik zou het niet zien zitten. Ik vind het al een voldoende avontuur om met een campervan van 17 jaar en meer dan 400.000km deze 1500 km door de outback af te leggen, laat staan om dit per fiets te doen. Ik vraag mij af hoe zij aan water komen, wij moesten minstens 10 liter drinkwater meehebben.
Ook wij vertrekken en rijden eerst naar Julia Creek. Er is bijzonder weinig verkeer. Na één uur hebben we nog steeds geen tegenligger gezien. Het is blijkbaar hét moment om de wildlife te zien. Voor het eerst zien we grote kangeroes naast de weg, grazend, genietend van de eerste zon. Jammer genoeg zijn ook de roadtrains hier deze nacht gepasseerd. De kangoeroes komen ’s nacht naar de weg, volgens de ozzies omdat ze het verdampte water van de weg komen opdrinken. Hoedanook worden ze letterlijk en figuurlijk verblind door de lichten van de roadtrains en blijven ze verlamd staan.
Met een bullbar van meer dan 2 meter blijft niet veel meer over van de kangoeroe, wanneer de roadtrain aan 100 km/uur over de weg dendert. En geloof me vertragen doen ze niet. Gezien kangoeroes in kuddes leven, mag je er zeker van zijn dat je meestal een slagveld van kangoeroes tegenkomt. Maar deze keer hadden we geluk want deze kangoeroes waren alive and kicking. Vanuit Julia Creek rijden we verder richting Cloncurry.
We beslissen om daar het Museum van de Royal Flying Doctors Service te bezoeken. Ik ,uit nostalgie denkend aan de TV-reeks; Nico uit interesse. Het is niet een bijster interessant museum, maar het betekent iets omdat er voor de rest niets is. Dus hierdoor best de moeite om te bezoeken. Ook nu weer krijg ik met mijn ISIC-studentenkaart korting.
Vanuit Cloncurry rijden we richting Mt Isa. Een grote industriestad doemt voor ons op. Na 1000km komen we eindelijk terug in de bewoonde wereld. Ongelooflijk zelfs de GSM heeft terug connectie. Ongelooflijk maar puur voor de statistieken: mount Isa is letterlijk qua oppervlakte de grootste stad ter wereld. We rijden verder richting Cammoweal waar we deze avond willen overnachten. Plots versmalt de weg tot een brede éénvaksbaan. De weg is ontzettend slecht onderhouden, vol putten, de berm links en rechts ligt bezaaid met dikke keien. De eerste tegenliggers zijn daar. Ze gaan allemaal galant in de berm rijden. Ze zijn toch echt vriendelijk die ozzies. Iedereen rijdt natuurlijk met een terreinwagen, dus zij hoeven niet af te remmen wanneer ze de berm in duiken. De gevolgen laten niet lang op zich wachten. Bij de volgende tegenligger, die weer zeer galant in berm rijdt waardoor wij mooi op de baan kunnen blijven, ketst een grote kei tegen onze camper. Ons hart slaat een slag over. We beseffen dat ook wij best de berm induiken wanneer een tegenligger afkomt en dat dit niets te maken heeft met galant zijn, maar bovenal te maken heeft met zorgen dat je ruit heel blijft. Bij de volgende tegenligger rijden we ook de berm in, lang genoeg tot we ver genoeg van elkaar verwijderd zijn om dan terug de weg op te rijden. Het werkt. Tot dat een roadtrain afkomt. Nu beseffen waar die stoere cowboyverhalen over roadtrains van komen. Inderdaad ze blijven aan 100km/uur in het midden van de weg rijden en gaan geen 10 cm op zij. We beslissen om heel sterk te vertragen want zouden het liefst onze ruit gaaf houden. Het is bijzonder lastig rijden. Gelukkig is het maar 100km meer. Blijkbaar was de weg vroeger over de hele 1000 km zo. Ja dan is de outback inderdaad een waar avontuur.
Tegen 17u komen in Camooweal toe. Er is net een nieuwe camping geopend. We beslissen om deze te nemen ipv de camping achter het Shell tankstation, want daar overheerst toch wel de petrolgeur.
Camooweal is echt een outbackdorp. Vooral Freckleton’s winkeltje moet je bezoeken. Het lijkt alsof de tijd hier is blijven stilstaan.
Het is echt warm ’s avonds. We kunnen genieten van een prachtige avond. Morgen rijden we Northern Territory binnen. Volgens de Queenslander gaan we nu naar achterlijk gebied. Na onze laatste 100 km van vandaag stellen we ons daar het ergste bij voor.